Publicatiedatum: 20 mei 2026 | Copyright by Anna Hannah Hahn
Kort verhaal: Mijn buurman is een varken
Mijn buurman is een beer van een vent. Zijn lijf is groot en bleekroze van kleur. Hij heeft een dikke buik en een stevige korte speknek. Zijn ledematen zijn wat gedrongen en uit verhouding met de rest, maar dat lijkt hem niet te hinderen in zijn dagelijks leven.
Het is zo’n gezellig typ dat met voorbijgangers een praatje maakt. Soms vraag hij; “Biertje, buurman?”, terwijl hij weet dat ik niet drink.
Doordat hij de buurt lokt met zijn tradities en lekkernijen, kent hij vrijwel alle straatgenoten. Met oudjaar bakt hij oliebollen. Die zet hij, glanzend van het vet, op de stoep voor zijn huis. Te grijp voor wie wil. Met Koningsdag loopt hij met oranjebitter langs de deuren. In de zomer heeft hij bier en frituur uit de schuur. In de winter een kop boerengroentesoep met stevige ballen. Hij staat daarom bekend als een gezellige bourgondiër.
Mijn buurman is zo’n jaloersmakend zorgeloze kerel. Die zich er niet om bekommert dat zijn bolle buik steeds ronder en groter groeit. En er niet over in zit dat zijn auto onder de bagger, en zijn dakgoot vol bladeren, zit.
Mijn buurman is een varken. Hij boert en ruft en ruikt naar zweet en stront. Zijn korte dunne haar zit vol met schilfers. En uit zijn nek is een vet rossig staartje gegroeid.
Een keer stond hij te barbecueën voor het huis. De rook trok langs de gevel en drong door het slaapkamerraam mijn bovenverdieping binnen. Een ander zou deze onderneming in de achtertuin laten plaatsvinden, maar mijn buurman geeft de voorkeur aan de voorzijde van het huis. Waar het sociale dier de buurt lokt met zijn smeulende worsten, dampende hammen en lekkere spek.
Ik gluurde door mijn slaapkamerraam recht in de bilnaad van de buurman, wiens broek een stuk was afgezakt, doordat hij op zijn hurken zat om zachtjes het vuur aan te blazen. De vleesvork in zijn achterzak. Een zonnebril in het haar. Ook een deel van zijn rug was ontbloot en, net als de bilpartij, voorzien van hetzelfde stugge, rossige haar. Er stond een geluidsbox naast de deur: een loktoon om langs te komen voor een gratis worst.
Mijn buurman was druk in de weer met het draaien van zijn vlees, meezingen met de muziek en blij gillen als er weer wat gaar was. Het vette krulstaartje in zijn nek zwiepte vrolijk over de bovenrug heen en weer.
Zijn plan leek te werken. Eerst kwamen zijn directe buren langs voor een stuk worst. Gevolgd door de buren ernaast, een buurjongen die zijn scooter aan de kant zette voor een stuk spek, de buren van de andere kant en de buren van het witte huis op de hoek. Een half uur later stond de hele stoep vol. Er was bier en wijn en de buurman knorde van geluk.
Zelf zat ik binnen te prikken in mijn bal gehakt. Ik had ook snijbonen en een glas water. Er was een moment dat ik dacht ook langs te lopen voor een worst, maar ik ben niet zo sociaal.
Van de zomer had hij op een ochtend ineens het plan bedacht om zijn voortuin om te ploegen. Ik werd wakker van kletterende stenen, harde muziek en de stem van mijn buurman die luid meezong. Toen ik uit het raam keek, zag ik hem heerlijk tekeer gaan. Druk scheppen en wroeten in de tuin. Af en toe stond hij met de rug naar mij toe gedraaid, zodat ik wederom zijn bilnaad mocht bewonderen.
Er liep een buurvrouw langs: mevrouw Smit. Ze bleef staan en sprak hem streng toe. Ik probeerde de conversatie die boven de muziek uit moest komen, vanachter mijn raam te volgen. Het kwam erop neer dat zij zich druk maakte dat hij overal aarde had gemorst. Hij lachte onschuldig en onbezorgd en schepte voor de vorm een paar kluiten terug de tuin in. Een nutteloos gebaar natuurlijk, maar het was goed bedoeld. “Idioot!”, hoorde ik haar schreeuwen, duidelijk verstaanbaar ondanks het dubbelglas. Als tegemoetkoming plukte hij een paardenbloem uit het gras in een hoek van de tuin die hij nog niet onder handen had genomen. Hij strekte liefdevol zijn arm uit en reikte met de bloem in de richting van het gezicht van de vrouw. “Ga toch weg met die paardenbloem van je, smeerlap”, hoorde ik haar zeggen. Geïrriteerd draaide ze zich om en liep terug naar haar eigen huis.
De buurman had zich omgedraaid; de bilnaad was weer in zicht. En hij ploeterde dapper door. Ik besloot een pauze te nemen en een kop koffie te maken. Toen ik een half uur later weer uit het raam keek, zag ik mijn buurman ten midden van een modderpoel. Blijkbaar had hij het warm gekregen en zijn shirt uitgetrokken en de sproeier aangezet. De harige lichtroze huid van zijn donzige pens zag dof van de aarde. Op borsthoogte bungelden de dikke spenen van zijn vlezige borsten. Hij had ook zijn laarzen uitgetrokken en hij lag letterlijk languit in de zojuist door hem gegraven poel. Zijn blote voeten lagen te rusten op het droge, maar de rest van zijn lijf lag in de modder. De dikke, roze buik stak boven de smurrie uit en hij had een tevreden grijns op zijn gezicht. Alsof hij nu klaar was met zijn klus, terwijl het meeste werk duidelijk nog gebeuren moest.
Ik ben ook een keer bij hem binnen geweest: een enorme zwijnenstal. De aanleiding was gehaktbrood. Daar moest ei in. “Ha buurman, kom binnen”, sprak hij hartelijk, toen ik aanbelde voor het ei dat ik tekortkwam.
Hij liep me voor de woonkamer in en gebaarde me plaats te nemen op de bank, terwijl hij het ei zou gaan pakken. Ik schoof wat rommel aan de kant om een plekje vrij te maken en nam plaats.
“Lust je ook koffie of kom je alleen voor het ei?”, klonk het vanuit de keuken.
Ik wilde eigenlijk zo snel mogelijk aan het gehaktbrood beginnen, maar mijn nieuwsgierigheid naar het huis waar ik me in bevond, won het van de haast om te koken. “Ja lekker buurman, met een beetje suiker erin graag.”
Terwijl de buurman de koffie aan het brouwen was, nam ik rustig de tijd om de kamer in mij op te nemen. Er lagen overal gekleurde plastic boodschappenzakken. In kasten, op planken aan de muur en in een grote eikenhouten trog die in de hoek stond. Her en der verspreid lagen leeggedronken koffiemokken en bierflesjes. Op de glimmende, zwarte salontafel stond een grote asbak vol uitgedrukte peuken, omringd door een kring van bierdoppen. De wanden waren nagenoeg kaal, op een groot stoffen wanddoek na. Het leek me een soort vaandel van een voetbalclub. Het was een kleurrijk stuk in contrast met de witte muur, die verder alleen versierd was met enkele zwarte schimmelplekken. Ook de vloerbedekking had schimmel en in het beige kleed, dat over de bank was gedrapeerd waar ik op zat, hadden zich enkele onbeduidende vlekken gevormd. Het rook muf in de kamer en overal lag wel iets. Niets leek een permanente plek te bezitten. Alles zwierf een soort van rond alsof er nog iets mee gebeuren moest.
“Zo een lekker bakkie, en een ei”, zei mijn buurman vrolijk, terwijl hij de kamer binnenstapte met een bruine mok met daarop een ouderwets beige schoteltje met lila bloemmotief waar een ei op lag te wiebelen.
“Sorry voor de troep hoor, ik ben niet zo goed in opruimen. En ik kan ook niet zo goed weggooien”, verexcuseerde hij zich. “Maar weet je, ik stoor me er zelf niet aan. Dus ja, waarom zou ik?”
“Groot gelijk hoor buurman”, zei ik, de huichelaar, want ik ben zelf erg keurig. In mijn huis heeft alles een vaste plek. Het is zelfs zo dat ik er onrustig van wordt als iets niet op zijn plek ligt.
“Wat een bijzonder kleed heb je aan de muur. Waar is dat van?”
“O dat, ik heb het een keer gevonden aan de kant van de weg. Ik vond het wel fleurig, maar ik heb ook geen idee waar het van is.”
De buurman vroeg mij of ik kunst aan de muur had en we spraken over muziek en tractors, waar hij enorm gecharmeerd van bleek. Hij had zelfs een vitrinekast waarin uiteenlopende modellen van diverse merken stonden geparkeerd. Groengele tractors, blauwe met giervaten, tractors met voorladers, shovels, aanhangers en ploegen, van legotractor tot officieel schaalmodel voor volwassenen in originele verpakking.
Ik had net een laatste slok van mijn koffie genomen (de laag prut onderin mijn mok liet ik voor wat het was) en ik stond op met het idee de vitrinekast van dichtbij te bekijken en daarna te vertrekken. Ik pakte het ei en liep naar de tractoren, maar mijn been bleef haken achter een zware doos. Ik struikelde, en mijn ei vloog door de lucht en ‘pats’ tegen het wanddoek. Tijdens mijn val, stootte ik een urinoir om dat ik eerder over het hoofd had gezien. Het bleek vol, en het vocht stroomde over de vloer en kroop tussen stapels kranten en tijdschriften, over een berg kleding en zoog zonder te aarzelen het vloerkleed in. Zelf herpakte ik net op tijd mijn evenwicht.
“Het spijt me zo”, riep ik uit.
De buurman keek mij strak aan met zijn kleine ronde ogen. Even was het stil. En toen barstte er van diep uit zijn onderbuik een bulderende lach los. De lach hield minutenlang aan, hij gierde het uit. Zijn gebulder sloot hij af met een korte knor. En ik stond daar maar een beetje mee te grijnzen voor de vorm. Terwijl ik me diep schaamde voor mijn klungelige debakel. Enigszins verwachte ik op dat moment dat hij uiteindelijk toch nog wel boos zou worden, of in ieder geval geïrriteerd zou zijn. Maar niks daarvan. Ik kreeg een nieuw ei en hij wilde pertinent niet dat ik ook maar iets zou opruimen van de zooi die ik ervan gemaakt had.
Ik zal je nog een laatste voorbeeld geven van het zorgeloze karakter van mijn buurman, voordat ik bij zijn trieste einde kom.
Het was een plakkerige zomeravond en de weersomstandigheden hadden ervoor gezorgd dat ik op een tijdstip dat ik normaal gesproken al lang achter de gesloten gordijnen zat, nu planten stond te gieteren in de tuin. In de verte klonken typische zomeravondgeluiden: het zachte brommen van motoren, gelach en geklets uit de andere tuinen en wat late vogels. In de zwoele avonddamp hing de aangename geur van verbrand stookhout en het laatste parfum van het bloeiende paars en geel, dat was blijven hangen nadat zij hun kelken hadden gesloten.
De geluiden werden aangevuld met het luide gegil van mijn buurman, dat steeds dichterbij kwam. Het was een vrolijke gil, niet een van pijn, maar meer een soort gejuich. Toen hij vlakbij was, merkte ik op dat het gillen vergezeld werd door een zacht ‘ge-shhh’. Nieuwsgierig stapte ik op een boomstronk, zodat ik hoog genoeg was om door een uitsparing in de klimop te gluren.
Ik zag de buurman aan komen slingeren op zijn fiets. Achterop zat een vrouw. Haar blote benen bungelden aan weerszijden van de bagagedrager. Af en toe moest ze bijsturen door een voet op de straat te zetten als de fiets te schuin hing.
“Remmen, remmen, remmen”, zei ze, toen ze bij zijn huis aan waren gekomen. Blijkbaar was ze hier eerder geweest en was ze op de hoogte van waar hij woonde.
“Ok mevrouw”, knorde de buurman. Zijn stevige rug boog krom over het stuur en zijn snuit raakte bijna de bel toen hij de stalen ros ruig tot stilstand bracht. De blonde stoot stapte af en liep wat onwennig over de stoep. De buurman smeet de fiets op het trottoir en zwalkte linea recta naar de hardroze hortensia, in het nisje tussen zijn huis en dat van buurvrouw Smit, om zijn broek open te ritsen en zijn blaas te legen.
Zijn metgezel gilde het uit; “Wat doe je nu weer? Dat kun je toch niet maken?”
“Maak je niet druk schat”, zei de buurman. Zonder moeite te doen om zijn broek weer dicht te ritsen, draaide hij zich om en liep naar haar toe. Zijn kleine roze geslacht hipte vrolijk van links naar rechts. Hij pakte haar vast en scheurde haar blouse open. In een handomdraai had hij haar bh opengemaakt en twee gigantische spenen sprongen de vrijheid tegemoet. Ik had niet eerder in mijn leven zulke blije borsten gezien.
Mijn buurman kirde en besnuffelde de zojuist blootgestelde schoonheid. Hij liep een rondje om haar heen en bekeek haar van top tot teen. Gegeneerd door de aandacht en waarschijnlijk ook het feit dat ze zich buiten op straat bevonden, draaide de vrouw naar de muur van het huis. De buurman porde wat in haar flanken en maakte vreemde, smakkende en ritmische geluiden. Alsof hij een liedje voor haar neuriede. Hij snuffelde aan haar lijf en duwde zijn hoofd in haar nek.
“Bijt je nou in mijn oor, geile beer?”, zei de vrouw.
“Ja schat dat hoort er allemaal bij. Je windt me op. Je borsten. Ze zijn zo…”
Hij draaide haar om en dirigeerde haar naar de grijze scootmobiel van mevrouw Smit, die vlakbij geparkeerd stond. Daar nam hij wat hem toehoorde. Zonder enige gene, zonder zich te bekommeren om mevrouw Smit, om de vering van de scootmobiel en de kunstbloemen aan het stuur. Zonder zorgen om eventuele gluurburen of deurcamera’s.
Ik kan niet ontkennen dat ik er opgewonden van werd. Waar ik me vervolgens enigszins over schaamde. Waar de buurman overigens alleen maar smakelijk over zou kunnen lachen als ik het hem zou vertellen. Wat ik natuurlijk nooit zou doen.
Maar er is iets veranderd. Mijn buurman is niet langer onbezorgd. Toen ik hem zojuist tegemoet liep met mijn glanzende groene rolcontainer in de hand, viel het mij direct op.
“Morgen komen ze me halen, er is geen weg terug”, zei hij tegen me.
“Hadden ze al eerder moeten doen”, probeerde ik grappig.
Maar mijn buurman was daar niet op ingegaan en staarde naar de grond. Zijn dikke buik verschool zich achter zijn container en hij frummelde wat aan zijn zak. Toen hij me nogmaals aankeek met zijn vriendelijke varkensoogjes sprong er een bescheiden lach om zijn mond. “Mijn tijd is gekomen, maar ik heb ervan genoten. Ja jongen, jouw tijd zal ook een keer komen. Je bent de jongste niet.”
Hij draaide zich om en sjokte weg. Zijn rossige krulstaart zwiepte over zijn rug. Het stugge haar in een fonkeltje zonlicht dat spiegelde in de deksel van de rolcontainer. Het moeizame piepje van de wielen. Ook ik draaide me om en zag een wolk voor de zon. Wat een treurige bedoeling.
Thuis lig ik somber op de bank, peinzend over het onheilspellende lot van mijn buurman. Wat zou hij bedoelen met ‘Morgen komen ze me halen?’ Is er soms een vierde graads hersentumor geconstateerd en bedoelt hij dat de dood hem komt halen? Als dat zo was, dan kan hij toch niet weten dat ‘ze’ hem precies morgen komen halen? Of bedoelt hij dat niet zo letterlijk?
Of komen ze hem halen voor het bejaardentehuis, of een gesticht? Hij is dan wel op leeftijd, maar daar is hij zeker niet bejaard genoeg voor. En krankzinnig is hij ook niet. Ik kan slechts één ding verzinnen dat bij zijn woorden past.
Achter gesloten gordijnen en met de deur al op het nachtslot, eet ik die avond schouderkarbonade. Met mijn getrainde gebit scheur ik het vlees van het bot. Ik bedenk me hoe hij in een wagen staat, geboeid in een stalen box. Zijn doffe kleine ogen starend door het vierkante gat.
De warme jus druppelt via mijn kin op het roodwit geblokte tafelkleed, waar de druppel wordt opgenomen in de stof. Het vocht verstilt op de plek van bestemming.
Ach, hij heeft in ieder geval een goed leven gehad.

Bestel Tunnelvisie
Psychologische thriller, geschreven door Anna Hannah Hahn.
Online ook onder andere verkrijgbaar bij bol.com.