#3 Francheska en de rat

Publicatiedatum: 9 september 2026 | Copyright Anna Hannah Hahn

Kort verhaal: Francheska en de rat

Francheska opent de rammelende ton en schept een lepel granen en zaden in het lege bakje. Ze handelt snel, uit vrees voor een onverwachte manoeuvre, een knauw, een kras.
           De glanzende kraalogen volgen haar vanuit de vaste hoek. Je zou het schattig kunnen vinden. Maar Francheska weet wel beter. Dit sluwe knaagdier wordt gedreven door een nietsontziende begeerte. Een eis om knaagvoer die haar radeloos maakt. Urenlang staart ze haar aan. Met precies die blik in haar ogen.

Na de voedersessie neemt Francheska de bus naar het zielloze winkelcentrum waar ze kruimeldieven, gekleurd servies, placemats, voorgeweekte doekjes met chloor en allerlei andere huishoudelijke handigheden verkoopt. Het is eenzaam werk. Klanten lopen sporadisch binnen, op zoek naar een product dat doorgaans niet op voorraad is. Mensen bezoeken het winkelcentrum vooral voor hun dagelijkse boodschappen: brood, vlees, eieren of een fles shampoo. 
           Francheska doodt de tijd met naar buiten turen, sudoku en nagels pulken. De eigenaar van de winkel lijkt zijn bedrijf stilzwijgend te ontkennen. Hij stuurt haar enkel verkoopinstructies per mail. Francheska weet niet eens hoe hij eruitziet.
           Maar ach, ze heeft tenminste werk. En voor een schamel hongerloon kan zij haar brood, worst en oploskoffie kopen. Eens in de twee maanden kan ze ook nog naar de kapper. En ze kan de rat voorzien van voer.

De rat is een erfenis die meekwam met het huis. Ook de kooi stond er al. De vorige huurder had niet verteld hoe oud het valse wichtje al was, dus Francheska weet niet hoe lang het nog meegaat. Maar ze heeft begrepen dat ratten niet ouder worden dan drie, of hooguit vier, jaar. En met de aftrek van de zes maanden dat ze in het huis woont, zal ze maximaal nog drie jaar met haar opgescheept zitten.
           Soms is ze haar even kwijt. Dan bekruipt haar de angst dat het beest uit de zilvergrijze kooi is geklommen en ergens vanuit de hoek van de kamer naar haar loert. Of erger, zich schuilhoudt op de hoedenplank boven de kapstok, tussen handschoenen en paraplu’s. Op de loer, tot het moment dat zij langsloopt, zodat ze haar van boven kan bespringen.
           Maar dan ziet ze de dofkale huid van de gladde staart tussen het zaagsel liggen en weet ze dat ze zich nog gewoon in haar hok bevindt.

‘Werkt u hier?’, vraagt een man in een fluorescerend geel hesje, terwijl hij de resten van zijn ontbijtkoek aan het wegwerken is.
           Francheska schrikt ervan. Ze draait geïrriteerd terug naar het schap en negeert de man, die geen klant is en ook niemand van kantoor.
           ‘Hallo, ik vraag u iets. Werkt u hier?’
           ‘Dat vertel ik u als ik mijn rijtje af heb, meneer’, bijt Francheska hem toe.
           ‘Ik kom lampen vervangen. Dat was doorgegeven, toch?’
           ‘Nee, meneer, maar gaat u uw gang maar.’
           De man is blijkbaar niet alleen. Hij wordt gevolg door twee assistenten met karren vol nieuwe lampen en platen ter vervanging van de huidige systeemplafondplaten, waar gaten van de oude lampen in zitten. Enkele minuten later stapt er nog een vierde kerel de winkel in met een gereedschapskist en een trap.
           ‘Pas op, mevrouwtje’, zegt de man. Francheska moet zich tussen hem en de trap door manoeuvreren om de benauwde hoek waarin zij zich bevindt te ontvluchten. Het is even wennen dat de winkel ineens bevolkt is.
           Er wordt druk gezaagd, geboord en gesloopt en binnen een minuut of tien is de gehele winkel gehuld in een stoffige zaagseldamp, die oranje kringelt in de paden tussen de schappen en langzaam neerdaalt op de producten.
           ‘Ik lust wel een bakkie’, zegt de hoofdelektricien, terwijl hij een van de oude grijsmetalen lampen uit zijn handen op de vloer laat kletteren.
           Francheska negeert de boodschap en doet alsof ze druk is met het spiegelen van allesreinigers en vouwen van duizenddingendoekjes. Als ze even later het keukentje binnenstapt, ziet ze dat de mannen zichzelf hebben voorzien in hun behoefte. De koffieprut ligt op de grond en half opgedronken mokken met koffie staan op het aanrechtblad. Als ze de koelkast opentrekt voor haar pauzehap, ziet ze het pak melk op zijn kant drijven in een witte plas. Er druppelt een straaltje naar de plank eronder, waar zich inmiddels een tweede plas heeft gevormd. Ze smijt de deur weer dicht: dat gaat zij mooi niet opruimen!
           Terwijl ze de gemalen koffie in het filter schept, valt haar oog op het snoer van het koffiezetapparaat. In het midden van het snoer zit een gat waar het koperdraad zich blootgeeft. Verderop in het snoer eenzelfde gat en ook daar is het koperdraad zichtbaar. Francheska neemt het snoer in handen om het van dichtbij te bekijken. God, dat lijkt wel aangevreten door een rat.
           ‘Dag mevrouw, wij zijn klaar!’, schreeuwt de elektricien vanuit de winkel. 
           Als Francheska aankomt, zijn ze al vertrokken. ‘Ze waren nog helemaal niet klaar’, zegt ze hardop, terwijl ze de schade inventariseert. De plavuizen vloer ligt vol met snoeren en stukken systeemplafond. 
           ‘Wat is hier gebeurd? Heb je lekkage of zo?’ Francheska kijkt opzij en ziet Klaas, de huiskoerier die zojuist een pallet vol verkoopwaar de winkel in heeft gereden.
           ‘Nee hè, ook dat nog’, zucht ze.
           ‘Waar mag ik dit neerzetten?’, vraagt Klaas. Zuchtend schuift ze de brokstukken van het systeemplafond met een bezem opzij. ‘Parkeer hier maar.’
           ‘Je moet niet zo zeuren schat, heb je tenminste wat te doen toch? Ik zou er niet aan moeten denken de hele dag verveeld voor me uit te staren in een lege winkel.’
           Francheska wordt rood. ‘Ik word hier betaald om te verkopen en andermans troep opruimen zit niet in mijn takenpakket. Ik ga dat niet doen, en als je dat niet begrijpt, dan stuur je maar een klacht naar de directie’, zegt ze fel.
           Als ze naar de kassa loopt om een pen te pakken om de paklijst af te tekenen, ziet ze ineens een dikke zwarte staart tussen twee ingeklapte strijkplanken door glijden. Ze slaakt een kreet. 
           ‘Wat is er, Fran?’
           ‘Er zit daar een rat, Klaas!’
           ‘Een rat?’, Klaas komt aanlopen en kijkt in het rond. ‘Waar dan? Ik zie niks.’
           ‘Daar, tussen die strijkplanken.’
           ‘Bedoel je dit?’, vraagt Klaas. Hij houdt een zwart snoer tussen duim en wijsvinger. Er vormt zich een geamuseerd rotlachje om zijn mond.
           ‘Zie je, Fran, je moet gewoon die troep opruimen.’
           ‘Mooi niet’, zegt Francheska als Klaas buiten is, terwijl ze plichtsgetrouw begint met het uitpakken van de levering. 
           Onderin doos 1 ziet ze kleine zwarte keuteltjes, die resten verpakkingsmateriaal blijken te zijn. En onderin doos 2 ziet ze aangevreten producten, die dat ook niet waren. Aan doos 3, 4 en 5 begint ze niet.
           Francheska pakt haar telefoon uit haar jas en nestelt zich op een kruk in de hoek van de zaak, waar ze de rest van haar dienst uitzit met sudoku. Om tien voor zes vult ze precies één zak met afval, zodat het lijkt alsof ze haar best gedaan heeft.

Na deze dynamische werkdag zou het zo heerlijk zijn als er thuis een warme ovenschotel voor haar klaarstond en er iemand was tegen wie ze kon klagen. Maar het leven van Francheska is niet rijk. Haastig van de trek trekt ze de hete lasagnebak uit de magnetron en ploft neer op de versleten zwartlederen bank in de woonkamer.
           Het enige gezelschap in huis staart haar aan door de tralies van de kooi. De ondoorgrondelijke zwarte bollen aan weerszijden van de kop glimmen in het televisielicht. Ze zit stil, alsof ze opgezet is. Francheska loopt naar het voer en graait een maaltijd uit de ton, maar dan bedenkt ze zich. Waarom geeft ze die gulzige rat überhaupt eten? Als ze dat nou gewoon niet meer doet? Dan sterft het en is dat probleem vanzelf opgelost. Ze laat het voer terug in de ton glijden en draait zich om. De rat is een paar centimeter verplaatst, maar zit er verder exact hetzelfde bij. Alsof iemand een opgezet knaagdier heeft opgepakt en verderop weer heeft neergezet. Francheska neemt de aluminium bak lasagne weer op schoot en probeert zich te concentreren op het spelprogramma op televisie. Maar het is lastig concentreren als je weet dat je bekeken wordt.
           De kooi staat in een hoek van de kamer die de oude schemerlamp net niet kan benaderen met zijn zwakke licht. Tussen de kooi en de bank in staan drie half uitgepakte verhuisdozen en er staat een beige ventilator, maar de rat heeft vrij zicht, want de top van de kooi steekt boven dit alles uit. Ze zou eens op zoek moeten naar een hoge stoel waar ze een doek overheen kan draperen, zodat ze wat meer privé heeft op de bank. 
           Vanuit haar ooghoek ziet ze een zwart silhouet, lange snorharen en een glinstering van een oog. Als een stalker in de regen, die aan de overkant van de straat naar haar staat te turen. 
           Als ze na het eten in bad zit, hoort ze een krassend geluid vanuit de woonkamer. In eerste instantie negeert ze het geluid en probeert ze te genieten van het warme water op haar lijf. Maar diep vanbinnen blijft het knagen. Dus ze stapt eruit. In haar naakte vel loopt ze door de gang. De druppels uit haar haar glijden over haar schouder naar haar oksel. Het is koud in de gang en ruikt er muf. Zodra ze een voet in de kamer zet, stopt het geluid. In de hoek van de kamer staat nog steeds de half verlichte kooi. De muffe ganglucht maakt plaats voor de geur van zaagsel en urine. ‘Wel verdomme, vervloekt klotebeest!’
           Tijdens het halfuur dat ze in bad zat, heeft de rat al haar zaagsel uit de kooi weten te schuiven. Ze zit er weer bij als voorheen, maar dan op de kale, paarse plastic bodem van de kooi. De vloerbedekking ligt bezaaid met drollen en aan elkaar geklonterd zaagsel, omdat ze de kooi al te lang niet verschoond had. Francheska voelt geen kou meer. In haar nakie stofzuigt ze de vloer, de schemerlamp en overal waar het zaagsel en de ontlasting is beland. 
           Als ze klaar is, opent ze de stofzuiger, haalt met een ferme beweging de zak eruit, knijpt de bovenste klep van de kooi open en kiepert de inhoud van de zak naar binnen. De rat blijft zitten waar ze zit. Het zaagsel valt op haar kop.
           ‘Dat is je verdiende loon, rotbeest. En voor straf krijg je ook geen eten meer.’
           De rat staat er nog steeds bij alsof ze opgezet is, met de voorpoten slap voor haar harige borst. ‘Wat was de bedoeling van dat grootgrondverzet naast je kooi? Wilde je me soms de les leren met je troep? En je krijgt het nog voor elkaar ook mij aan het werk te zetten, stuk behaard ongedierte. Weet je dat ik normaal gesproken troep opruimen aan een ander overlaat. Maar ja, hier is niemand anders,’ zegt Francheska met een stem die ineens hysterisch overslaat van hard praten naar schreeuwen en krijsen.
           De rat staart zwijgend terug.

Die nacht kan Francheska niet slapen. Ze piekert over de rat. Dit is toch geen leven. Ik draai nog helemaal door van dat beest. Ik moet van haar af. De hele dag denk ik aan die rat, zelfs nu ik hier in bed lig. Ze draait zich driftig om en trekt het kussen hardhandig in haar nek.
           Francheska staart naar een lichtpuntje op het plafond. Hoe lang zou het duren totdat dat beest sterft aan hongersnood? Een mens kan wel een paar weken zonder eten. Zou dat bij een rat ook het geval zijn? Misschien moet ze ook maar geen drinken meer krijgen, dan gaat het vast een stuk sneller. Maar er zijn natuurlijk ook andere manieren om haar om het leven te brengen. Ze zou het kleine pezige strotje dicht kunnen knijpen met een tang. Of ze zou haar in een heet bad kunnen gooien en haar onderdompelen met een spatel tot ze verdronken is. Of haar in de magnetron stoppen, of in een bak in de vriezer. Keel doorsnijden met een mes, verstikken in een plastic zak of roosteren op de barbecue. 
           Hoe zou dat smaken? Naar kip misschien? Of naar konijn? Een rat zit vol ziektes, dus die moet je dan wel goed heet roosteren of frituren. Misschien is koken beter. Dan kun je er soep van trekken. Met wat peterselie en een uitje, vermicelli, peper en zout zal het vast goed te eten zijn. In sommige landen in Azië eten ze immers ook ratten. Maar ook stinkhonden. En corona-vleermuizen. Naaktslakken. Wormen. Maden…

Francheska schrikt wakker met een vreemde smaak in haar mond. Het stipje op het plafond is opgegaan in een grote witte vlakte. Ze stapt uit bed, kleedt zich aan en sluipt naar beneden, waar ze een schokkende ontdekking doet: de kooi is leeg. Ze heeft gisteren de klep open laten staan. Wat dom.
           Haar ogen glijden langs de kast en over de vloer langs de plinten. Ze kijkt onder de bank, onder de kunststof kruk van het tuinmeubilair die dienstdoet als salontafel, onder alle kasten en tussen de stapel oude kranten en actieprijzenfolders. Geen beweging. Ook niet in de wasmand. Geen spoor tussen de vuile vaat. Geen keutel en geen kruimel. 
           Francheska staat doodstil in de kamer, spitst haar oren. Haar handen hangen slap voor haar buik, de benen licht gebogen, haar rechterschouder in de winterochtendschemering die mistig door het beslagen raam naar binnen schijnt en haar linker in de schaduw van de kast. Ze luistert. Knaagt daar iets onder de kast? Een getrippel onder de bank
           Misschien bespiedt dat beest haar vanuit een dode hoek. Komt ze ineens tevoorschijn en bijt ze in een teen. Of erger, springt ze in haar gezicht en hapt ze in de punt van haar tanige haakneus. Francheska hoort niets. Niets dan haar eigen snuivende ademhaling. Zou het ongedierte haar hebben begrepen? Zou het hebben aangevoeld wat ze met haar van plan is? 
           Er drukt iets op haar buik. Het maakt haar misselijk. Haar hoofd voelt warm en ze wordt duizelig. Ze moet hier weg. Zo snel mogelijk. En dat komt goed uit, want ze moet ook weg. Ze heeft nog een paar minuten voordat de bus naar het winkelcentrum vertrekt.

De busreis doet haar goed. Het is vandaag niet druk in de bus en het vertrouwde geluid van de elektrische motor en het troostende sissen bij het remmen voor een halte werken ontspannend. Buiten kleurt de lucht heldergrijs, als een grote fantasieloze leegte waarin je zit opgescheept met de meedogenloze realiteit. En juist dat stelt haar gerust.
           En als daar het grijze staalwerk van het winkelcentrum aan de horizon verschijnt, drukt ze verlicht op de stopknop voor de volgende halte.

Er liggen nog steeds sporen van het systeemplafond en ook de vracht is niet helemaal uitgepakt, maar dat lijkt vandaag geen probleem. Fluitend gaat Francheska met de zwabber langs de schappen. Ze sopt de toonbank en het keukentje. Vult producten aan en spiegelt de schoonmaakmiddelen. Er komen klanten en de tijd gaat snel. De rat is de hele dag niet in haar gedachten geweest.

Maar op de terugweg pakken er donkere wolken samen langs de ruiten van de bus. En op een kilometer of vijf van huis bekruipt haar een onheilspellend gevoel. Als Francheska van de bushalte naar huis loopt, is het inktzwart. Er steekt een gure wind op. Bij de voordeur barst het los.
           Francheska snelt naar de kooi waar het vermoeden wordt bevestigd. In de hoek ligt een pluizig hoopje, een hopeloos slap donsvelletje. Het bekje los, de pootjes stijf. Het zichtbare zwarte oog staart dof in het luchtledige. Voorzichtig prikt Francheska met haar wijsvinger in de buik van de rat. Zacht maar ook wat stijf. Schaamteloos geeft ze toe aan de plotseling intense behoefte het dier over de vacht te strelen. Daarna maakt ze de klemmen los, tilt ze het bovenste deel van de kooi en loopt plechtig met de paarse onderbak naar de vuilnisbak.
           Het zaagsel, vermengd met voer, pis en uitwerpselen, glijdt samen met het dode dier naar het laagste punt van de onderbak. Maar als de helft van de inhoud in de vuilnisbak ligt, aarzelt ze. Ze kijkt in de vuilnisbak en ziet bedorven rauw gehakt dat ze te lang in de koelkast had laten liggen, eierschillen met nog wat eiwitslierten eraan geplakt, zuurkool, uien en een kapot glas. Ze kijkt nog eens naar de rat: de zachte vacht en de onschuldige zwarte ogen. 
           ‘Oké, dan niet’, zucht Francheska. Ze tilt het stijve lijfje uit de onderbak van de kooi en legt het zacht in de palm van haar hand. Ze veegt het zaagsel van haar buik. ‘Was je al die tijd toch gewoon in je kooi? En ik me maar druk maken om niets. Ja, nu ben je dood. Dat is niet mijn schuld hoor.’
           Francheska loopt naar de slaapkamer en staart naar het onschuldige hoopje in haar hand. Een kwetsbaar prooidier, overgeleverd aan de grote boze wereld. En daar had zij voor moeten zorgen.
           ‘Misschien heb ik me in je vergist’, fluistert ze, terwijl ze het dode dier voorzichtig op de lege plek naast haar op het kussen vlijt. Ze streelt haar nog even over haar kopje en zegt dan, ‘Morgen zal ik je begraven, stinkend rotbeest.’
           Ze sluit haar ogen. Langzaam glijdt de spijt over haar wang.

Online ook onder andere verkrijgbaar bij bol.com.